Apprenez à utiliser paul dans une phrase en Néerlandais. Plus de 26 phrases d'exemple sélectionnées avec traductions. Adapté au mobile et gratuit. Propulsé par Mate.
Paul heeft net gebeld.
Ik ben Paul, je kamergenoot.
Ik ben jouw kamergenoot Paul.
Ik ben Paul, jouw kamergenoot.
Ik ben Paul, jouw flatgenoot.
Hij heeft schulden bij Peter en Paul.
Ik vraag mij af wat er met Paul gebeurd is.
Paul kwam terug met de vader.
Paul was in Rome geboren.
Paul kwam naar Rome om me te begroeten.
Inktvis Paul had gelijk.
Paul is veruit de meest charmante jongen in de school.
Paul heeft vorig jaar veel geld verdiend.
Peter kent Paul.
Paul is een van de leerlingen die zullen meedoen aan het schaaktornooi.
Paul verdiende vorig jaar veel geld.
Paul heeft droog haar.
Paul praat veel.
„Is er iemand in de keuken?” - „Ja, Paul is daar.”
Paul zijn bureau stond vol met boeken.
Peter is de broer van mijn man. Paul is de echtgenoot van mijn zus. Peter en Paul zijn mijn zwagers.
Het boek is van Paul.
Paul heeft Amelia's badkamer gebruikt.
Biologisch oceanograaf Paul Snelgrove, die een paar jaar geleden aan een decennialange telling van zeeleven meewerkte, merkt op dat het best vaak voorkomt dat er nieuwe soorten in de diepzee aangetroffen worden.
Het paard werd door Pieter van Paul gekocht.
Paul en Maria hadden jarenlang een knipperlichtrelatie.