Lernen Sie, wie man kapper in einem Niederländisch Satz verwendet. Über 30 handverlesene Beispielsätze mit Übersetzungen. Kostenlos und mobilfreundlich.
Oh, je bent naar de kapper geweest.
De kapper knipte zijn haar.
Ze ging naar de kapper.
Ik liet mijn haar knippen bij de kapper.
Ik ben naar de kapper geweest.
Het wordt tijd dat je naar de kapper gaat.
Duitse mannen gaan vaker naar de kapper dan Duitse vrouwen.
Ik ga elke maand naar de kapper.
Het is hoog tijd dat je naar de kapper gaat.
De kapper knipt het haar met een schaar.
Ga naar de kapper en laat je haar snijden.
Tom is naar de kapper gegaan maar hij zou spoedig moeten weer zijn.
Ben je naar de kapper geweest?
Weet je naar welke kapper Tom gewoonlijk gaat?
Ga naar de kapper.
Is er een kapper in het hotel?
Voordat hij in dienst ging, is hij bij de kapper langsgeweest, die alles heeft afgeknipt.
Maria's kapper is Nederlands.
Ik moet naar de kapper.
Hij stond in dubio, zou hij morgen of vandaag naar de kapper gaan.
Wanneer ga je naar de kapper?
Of je nu je baard vier of zeven jaar laat groeien, onder het mes van de kapper valt hij in dezelfde tijd.
Ze is kapper.
Ik heb een afspraak bij de kapper.
Tom ging naar de kapper.
Waarom ga je niet naar de kapper?
Je moet eens naar de kapper!
Ik ben kapper.
Sami moet naar de kapper.
Wat zie je er mooi uit! Ben je naar de kapper geweest?