Lernen Sie, wie man banaan in einem Niederländisch Satz verwendet. Über 41 handverlesene Beispielsätze mit Übersetzungen. Kostenlos und mobilfreundlich.
Als toetje hebben we vandaag yoghurt met stukjes aardbei en banaan.
Deze banaan is rot.
Heb ge al een koek van banaan gegeten?
Je vroeg me wat ik nodig heb, en in welke hoeveelheden, voor één persoon, als ik dat eten klaarmaak. Daarvoor heb je nodig: een halve ui, de helft van een wortel, een vierde van een peper, een achtste van een venkel, een vierde van een banaan, een pruim en twee sprietjes bieslook. Bovendien zijn er nog olie en specerijen nodig.
De banaan is zoet.
Een banaan is geel.
Deze banaan is bedorven.
Ik eet een banaan.
Ik ben een banaan.
Hoe is deze banaan?
Hij gooide de banaan weg.
Tom gaf Mary een banaan.
Millie eet een banaan.
Wil je een banaan?
Tom eet een banaan.
Waarom is een banaan krom?
De banaan is een fruitsoort.
Hoeveel kost deze banaan?
Beeldhouwen is als het pellen van een banaan.
Ik wil geen banaan.
Bij kiwi's kennen we een kruising tussen banaan en aardbei.
Deze banaan is groen.
Deze banaan is bruin.
Deze banaan is geel
Deze banaan is bijna helemaal zwart.
De banaan was bruin en papperig.
Dat is een banaan.
Wortel of banaan?
Ik wil mijn grote gele banaan vinden.
Een groene banaan is niet rijp genoeg om te eten.
Waarom is de banaan krom?
Ik gaf mijn hond nooit een banaan te eten.
Zij eten banaan.
Tom wou geen banaan.
Tom at de banaan zonder zijn handen te wassen.
Tom wou een banaan.
De aap wil een banaan.
Een aardbei is niet lekkerder dan een banaan.
Dit is een banaan.
Ik heb een banaan gegeten.
Deze banaan is nog groen.