Alle appels zijn op, maar niemand heeft een peer gegeten.
Ik eet een peer.
Nadat hij een peer gegeten had, nam hij een appel.
Die peer ruikt lekker.
Hij eet een peer.
Ze eet een peer.
De peer ruikt goed.
Hij is een toffe peer.
Toms paper werd in een peer-reviewed tijdschrift gepubliceerd.
Deze peer is groen.
Is deze peer groen?
Dit is een peer.
Ik ben een peer aan het eten.
Ze is een peer aan het eten.
Tom eet een peer.
Tom is een peer aan het eten.
Dit is een peer, geen appel.
Dit is geen appel. Het is een peer.
Tom was geen appel aan het eten. Hij was een peer aan het eten.
Wat Tom at, was geen appel. Het was een peer.
De Argentijnse peer is duurder dan de Braziliaanse.
Het is een peer.
De peer smaakt erg lekker.
De peer is erg lekker.