Het jongetje was zo geschrokken dat hij geen woord meer kon uitbrengen.
Ze is geschrokken.
Maria is geschrokken; maar Tom was niet bang.
Mijn God, ik ben geschrokken!
Tom was te erg geschrokken om dat te doen.
Tom was geschrokken.
Ze leek erg te zijn geschrokken.
Ik ben daarvan geschrokken.
Miroslav deinsde geschrokken achteruit.