Hij beviel me zeer, maar ik niet aan hem!
Leven in de stad beviel haar niet.
Het geschenk beviel haar.
Het concert beviel me, afgezien van de koude in de zaal.
Zijn boodschap beviel hen.
Het verhaal beviel ons zeer.
Ik beviel.
Eerst beviel hij me niet.
Eerst beviel zij me niet.
Wat Mary deed, beviel me niet.
Wat beviel jou het meest aan Australië?
Maria beviel onderweg naar het ziekenhuis.
Dat beviel niet.