Learn how to use gast in a Dutch sentence. Over 35 hand-picked example sentences with translations. Mobile-friendly and free. Powered by Mate.
Die gast is niet goed bij zijn hoofd!
De beide vrienden kusten elkaar innig, en Manilov bracht zijn gast naar de kamer.
Die gast vraagt altijd maar geld aan zijn ouders.
Je moet hoffelijk zijn tegen iedere gast.
Een gast heeft scherpe ogen.
Ik werk hier. Ik ben geen gast.
Ik wil dat je vanavond mijn gast bent.
Je bent onze gast van de week.
Maar één gast vroeg een vegetarisch middagmaal.
De andere gast heeft dat gedaan.
Ik ben een aardige gast.
En wie is die gast die naast de piano staat?
Ik wil die gast nooit meer zien.
Je lijkt me een coole gast. Zullen we vrienden zijn?
Je lijkt me een coole gast.
Ik kan deze gast niet uitstaan.
Tom liet de gast door naar de woonkamer.
Zonder verder omhaal, laat me de gast van vanavond voorstellen.
Zonder verder omhaal, staat u mij toe de gast van vanavond voor te stellen.
Gast, serieus.
Je bent een gast.
U bent een gast.
Die gast is zo schuldig als wat.
Nu vraag ik om een daverend applaus voor onze volgende gast in de show.
Ziri werd een regelmatige gast in Rima's huis.
Deze gast is goed.
Hoe zag die gast eruit?
Jullie hebben een gast.
U hebt een gast.
Die gast gebruikte lijmstokken om vogels te vangen.
Onthoud dat je hier te gast bent en dat je je daarnaar moet gedragen.
Onthoud dat u hier te gast bent en dat u zich daarnaar moet gedragen.
Die gast die voor ons kookte was erg dik.
Kan iemand die mensen ontvangt in hotels een „gast” worden genoemd?
Die gast gaat naar de apotheek.