Learn how to use babbelen in a Dutch sentence. Over 12 hand-picked example sentences with translations. Mobile-friendly and free. Powered by Mate.
We babbelen graag.
Gij bleeft maar babbelen, terwijl ik in uw plaats het werk deed.
Laat ons babbelen.
Het was leuk met je te babbelen, Tom.
Niet babbelen!
Hou op met babbelen.
Stop met babbelen.
Ze begonnen allemaal tegelijk te babbelen.
Ze zijn allemaal tegelijk begonnen te babbelen.
Ze begonnen allemaal tegelijkertijd te babbelen.
Het meisje ging naast hem zitten en ze begonnen te babbelen.
Het meisje kwam naast hem zitten en ze begonnen te babbelen.