Lernen Sie, wie man kaars in einem Niederländisch Satz verwendet. Über 22 handverlesene Beispielsätze mit Übersetzungen. Kostenlos und mobilfreundlich.
Wat baten kaars en bril, als de uil niet zien en wil.
Verzoek haar, dat ze mij een kaars zendt.
Het is beter om een kaars aan te steken, dan het donker te verwensen.
Bij het binnengaan van de kamer bemerkte hij dat er een kaars brandde op tafel. Hij herinnerde zich, dat die kaars daar tevoren niet was.
Hij nam zijn kaars en ging slaperig naar bed.
Steek de kaars niet aan!
Tom heeft de kaars uitgeblazen.
Wat symboliseert een groene kaars?
Tom stak de kaars op tafel aan.
Tom heeft de kaars op tafel aangestoken.
Steek de kaars aan.
De kaars ging uit.
De kaars is uitgegaan.
Tom stak een kaars aan.
Nadat ik een vierde kaars had aangestoken wilde ik wat jamdonuts eten.
Nadat ik een vierde kaars had aangestoken wou ik wat jamdonuts eten.
In mijn hand heb ik een kaars en aan mijn voet heb ik een laars.
Ik blaas de kaars uit.
Je kunt een lamp niet met de vlam van een kaars vergelijken.
Niet de kaars aansteken!
De kaars van mijn leven zal spoedig doven.
Ik wil dat je de kaars aansteekt.