Learn how to use wagen in a Dutch sentence. Over 26 hand-picked example sentences with translations. Mobile-friendly and free. Powered by Mate.
Men moet het paard niet achter de wagen spannen.
Vertel me alstublieft waar ik mijn wagen moet parkeren.
Halfweg naar je huis viel mijn wagen in panne.
Ik hoop dat mijn wagen niet in panne valt en dat ik je op tijd bereik.
Deze wagen is te duur voor mij om te kopen.
Ik wil een wagen huren.
Enkel diegenen die het wagen om te ver te gaan, zullen weten tot hoever ze mogen gaan.
Hij heeft een buitenlandse wagen.
Jij bent het vijfde wiel aan de wagen.
Mijn vader en meneer Kimura hebben dezelfde wagen.
Ik wil een tweede poging wagen.
Je zult het niet wagen.
Deze oude wagen is de jouwe als je hem wilt hebben.
Ze is helaas het vijfde wiel aan de wagen.
We reden met zijn twintigen, vijf in elke wagen.
Kom uit deze wagen.
Tom is echt het vijfde wiel aan de wagen.
Je moet het paard niet achter de wagen spannen.
Je gaat een poging wagen.
Laten we het paard niet achter de wagen spannen.
Ik zal een gokje wagen.
Hoe durf je het wagen Tom te becrisiseren, jij ongelovige! Dat zal je duur te staan komen!
Span je paard niet achter de wagen.
De wagen is geladen.
Ik moet dringend een nieuwe wagen kopen.
Ik rij al honderd jaar met de wagen zonder ooit een aanrijding te hebben gehad.