zoenen kelimesini Felemenkçe bir cümlede nasıl kullanacağınızı öğrenin. 17'den fazla özenle seçilmiş örnek.
Ik wil je zoenen.
Laat ons zoenen.
Ze zijn nog steeds aan het zoenen.
Denk je dat Tom Maria Johan zag zoenen?
Ze stonden te zoenen op de hoek van de straat.
Tom kan niet goed zoenen.
Ik wist dat je Tom zou zoenen.
Zoenen kan het virus verspreiden.
Ze zoenen.
Zij zoenen.
Ze zijn aan het zoenen.
Zij zijn aan het zoenen.
Kan je hiv krijgen van zoenen?
Ze begonnen hartstochtelijk te zoenen.
Tom kan goed zoenen.
Ik wil Tom zoenen.
Hij zal haar niet zoenen.